Disclaimer

Het was voorjaar geworden, en om de torens van Bommelstein speelde een zacht briesje, dat bloemengeuren met zich voerde. Want de natuur begon te ontwaken, en dat bleef natuurlijk ook niet onopgemerkt binnen de muren van het oude slot. Toen de bediende Joost om een uur of vijf gewoontegetrouw een glas port binnenbracht, speelde er zelfs een kleine glimlach om zijn lippen.’De lente is aangebroken met uw welnemen, heer Olivier,’ sprak hij. ‘Ik was zo vrij vanmiddag zelfs een tureluur waar te nemen.’ ‘Ja, nu je het zegt,’ zei heer Bommel, een verraste blik naar buiten werpend. ‘Er zitten blaadjes aan de perelaar! Mooi, hoor. Maar toch…’ Hij keek dromerig voor zich uit, en vervolgde met stille stem: ‘Eerlijk gezegd kan het me spijten, dat de winter ten einde loopt.

Ik ben hem heel prettig doorgekomen

‘Het doet me genoegen dat te horen,’ zei de trouwe knecht. ‘Zal ik de port hier neerzetten?”Zoals je weet heeft mijn goede vader me heel wat werken nagelaten,’ hernam heer Ollie. ‘Een ruime keuze voor iemand met mijn ontwikkeling. Daardoor heb ik bijvoorbeeld kennis kunnen nemen van “De negerhut van oom Tom” en “Alleen op de wereld”. Ik ben er diep door getroffen, want het bleek me, dat er in stilte veel geleden wordt op deze wereld, terwijl hoogstaande figuren er veel goed aan kunnen doen.”Inderdaad,’ gaf Joost toe. ‘Ik voor mij heb ’s avonds, wanneer ik een ogenblik vrij had, “Het slot” gelezen van een zekere heer Kafka. Ik meende er iets uit te kunnen leren, voor mijn professie, hier in Bommelstein. Maar ik vond het toch niet zo boeiend, en ik verstout mij het einde onbevredigend te noemen.’ ‘Ach ja,’ zei heer Bommel. ‘Dat komt omdat men met boeken niet boven zijn stand moet leven.’ Voor Kweetal de breinbaas was de winter heel wat moeilijker geweest dan voor heer Ollie. Dat kwam door de ruimtehevelaar, waar hij nu al twaalf jaren aan werkte, en die maar niet goed wilde worden. Toen de lente aanbrak stopte hij het ding dan ook met een bezwaard gemoed in zijn rugzak om het mee te nemen naar zijn zomergebied. ‘Wat is dat voor zwarigheid?’ vroeg Sikagel, die een eindje met hem mee trok. ‘De oloroon,’ zei Kweetal bedrukt. ‘Al mijn tijd heb ik er aan gebezigd, maar hij is nog steeds ondeugend. Hij loopt drie dagen achter.’ ‘Oloroon?’ herhaalde de ander. ‘Die weet ik niet.

En jij kan beter naar de bloeisels luisteren

Kweetal schudde echter zwijgend het hoofd, en omdat er verder weinig van zijn gezelschap uitging nam Sikagel al spoedig afscheid, zodat de breinbaas ongetroost verder sjouwde. ‘Een oloroon kan men niet vergeten,’ sprak hij tot zichzelf. ‘Hij bestaat en waar hij werkt wordt het kwaad als hij niet van de zelftijd is. Het is vreesachtig.’ Zo tobbende bereikte hij de laatste uitlopers van de Zwarte Bergen, en daar werd zijn opmerkzaamheid getrokken door een voorttrippende figuur, die hem om een rotspunt naderde. ‘Tutu,’ zong deze, terwijl hij een tweesnarige sitaar betokkelde. ‘Lent is inte knoppen, Lude sing tutu, Te radiks kruupt te pitten uut, So fatte luut, En lude singt tutu.’ ‘Lut Lierelij,’ prevelde Kweetal ontstemd. ‘Ook die nog.’ Knorrig begon hij de heuvel af te dalen, en de tokkelaar sloot zich musicerend bij hem aan. ‘Fatte luut,’ zo zong hij, ‘En singet u tutu, En huphop vro en bliede nu, En sing tutu nu, sing tutu. Wel singet u, Tutu, tutu.’ ‘Moet dat?’ vroeg Kweetal wrevelig. ‘Tutu, terwijl ik een oloroon in mijn denkraam heb?’ De ander liet zijn instrument zakken en keek hem vragend aan. ‘Oloroon?’ herhaalde hij. ‘Gooi het wege. De lent is inte knoppen en tis te tied voor sang en snarenspel. So singet luud . . .’ ‘Ik denk er niet aan,’ bromde Kweetal. ‘In mijn buidel hangt een ruimtehevelaar, die niets goeds brengt. Twaalf zonomlopen heb ik er aan gebezigd, maar ik heb er niets dan sinsen van gehad . Nu loopt

hij nog drie dagen achter – en hij is zo lodig, dat ik door mijn knieknoken zak.”Cooi het wege,’ herhaalde Lut Lierelij. ‘Draag niet mede watte swaar is, maar huphop bliede.’ Kweetal bleef staan en liet de zware ransel van zijn schouders zakken. Ze waren aangekomen bij een meer, dat stil tussen de bergen lag, en slechts bewogen werd door een doelloze roeiboot in de verte. ‘Het Zompzwin,’ sprak het ventje tot zichzelf. ‘Gooi het weg, he? Niet meedragen, wat te zwaar is. Maar niemand kan ongedaan maken wat hij doet. Alles blijft. Ik moet zinnen.’ Zo sprekende haalde hij een paar koeken uit zijn tas en nadat hij die eerlijk verdeeld had, ging hij op een steen zitten om te denken. Al koekhappend kwam hij tot een besluit, en hij tilde een grote doos uit zijn rugzak. Terwijl Lierelij achter hem een toon uit zijn sitaar sloeg, droeg hij die bekommerd naar het meer. ‘Niet meedragen wat te zwaar is,’ sprak hij tot zichzelf. ‘Beter weggooien; het is griepig om de lent met een vergiste oloroon te beginnen. ‘ ‘Lent is inte knoppen,’ begon de zanger, ‘lude sing tutu.’ Kwinkel,S gromde Kweetal, en wrevelig gooide hij het kistje zo ver mogelijk het meer in. Dat was niet erg ver, maar het Zompzwin is een diep water met steile oevers, en het voorwerp verdween dan ook snel onder de oppervlakte. Een poosje keek hij de verdwijnende knngen na, doch toen hij zag dat er een ijle damp uit het meer begon op te Stijgen sjorde hij de knapzak op zijn rug en liep mompelend weg.

‘Als hier maar geen oele sinsen van komen,’ kon men hem horen prevelen. Wat hij daarmee bedoelde weet ik niet, maar terwijl hij zijn weg vervolgde, verdichtten de dampen zich tot een nevel, en een plotselinge stroming maakte zich meester van het vredig dobberende bootje en voerde het mee. De inzittende, een zekere Wammes Waggel, keek even verbaasd op, en begon toen te giechelen. ‘Hihihi, wat enigjes,’ riep hij uit. ‘Daarnet was er niks en nu is alles ineens anders. Ik vaar vanzelf!’ Dit gebeuren ontging Kweetal echter, want zijn zorgelijke gedachten werden overstemd door het gejoedel van Lierelij: ‘So fatte luut, en lude singt tutu, Wel singet u, Tutu, Tuutuu.’ Het vrolijke gezang verstierf langzaam toen het tweetal tussen de bergen verdween -en dat was het laatste wat men voorlopig van hen zal horen. Het was een mooie voorjaarsnacht. De oude maan rees langzaam boven de torens van Bommelstein en verlichtte de perken met een bleek schijnsel, zodat de bloemen goed tot hun recht kwamen. De bewoners genoten er niet van, want die waren al lang ter ruste gegaan na hun volbrachte dagtaak. Maar een passerende familie werd er door aangetrokken en betrad, na kort beraad, het gazon. ‘Dit zijn geen wringerds, papa,’ zei de grootste van de reizigers tevreden. ‘Ze staan stil en ruiken naar noelie.’ ‘En daar is een stenen kampement,’ stelde de aangesprokene vast. ‘Dit is de andere wereld, waar de dubloenen op de weg liggen, mama. We gaan een joel vieren.’

De anderen juichten dat plan toe, en toen ze van wat takken een vuurtje hadden gemaakt, gingen ze er gezellig omheen zitten, terwijl de vader zijn tomtom ter hand nam. Nadat hij er enkele dreunen op had gegeven, hief hij een eenvoudig lied aan, zichzelf met maatvast geklop begeleidend. De moeder zette het refrein kracht bij, en de kleine sprong wiegelend heen en weer onder het slaken van schelle kreten. Het was een vrolijk toneeltje, daar in het maanlicht; maar niet iedereen genoot er van. Heer Bommel werd er ruw door uit zijn slaap gewekt en rees met een gesmoorde kreet uit zijn dekens, terwijl het angstzweet hem uitbrak.
Enkele ogenblikken luisterde hij verstijfd naar de vreemde geluiden die de nachtelijke stilte verscheurden, maar toen maakte zijn schrik plaats voor gramschap. ‘Een betoging,’ mompelde hij, uit zijn bed springend. ‘Ik zàl ze.’ Met deze gedachte schoot hij in zijn kamerjas, stak een kaars aan, en nadat hij een pook gegrepen had, haastte hij zich naar beneden om een einde aan het lawaai te maken. Toen hij zijn bordes afstormde merkte hij echter, dat de menigte slechts uit drie figuren bestond die hem verbaasd aankeken, en zijn woede zakte een beetje. ‘W-wat betekent dat?’ riep hij uit. ‘Een joel,’ verklaarde de voorste, een klap op zijn drummetje

gevend. ‘Het was een lange reis naar de andere wereld. Daarom, meneer . ‘ ‘Hier zijn geen wringerds,’ vulde de grootste aan. ‘En hier liggen de dubloenen op de weg, zegt papa. Daarom maken we een joel tussen de noelie.’ ‘Elleloejah,’ zei de kleinste wat bedremmeld. ‘Een joel?’ herhaalde heer Bommel verontwaardigd. ‘Wat… Ik bedoel, dat gaat zo maar niet! Midden in de nacht kan men niet zo maar in mijn tuin vuren stoken en pret maken. Dat is wat ik eigenlijk bedoel. Het carnaval is over en er zijn woonwagenkampen genoeg, tegenwoordig. Maak dat je wegkomt, of ik roep de politie ! ‘ De vreemdelingen luisterden met klimmende ongerustheid naar de vertoornde heer, en toen deze dreigend met zijn pook zwaaide, sprongen ze overeind en zetten het op een lopen. ‘Dat is maar goed ook,’ sprak heer Ollie. ‘Orde moet er zijn.’ Met deze woorden keerde hij het nasmeulende vuurtje de rug toe en haastte zich terug naar huis om de verloren nachtrust in te halen. In de hal trof hij Joost aan, die ongerust bij de trap stond. ‘Ik hoorde verdachte geluiden, als u mij toestaat,’ sprak de trouwe knecht. ‘Was er iets betreurenswaardigs? Of was het een nachtmerrie? Dat kan, in deze tijd van het jaar.’ ‘Dat was het,’ gaf heer Bommel toe. ‘Een nachtmerrie met vlammen en trommels, maar ik heb ze met levensgevaar verdreven

omdat het een overmacht was, zodat ik nu een warm voetbad nodig heb voor mijn geschokt gestel.’ ‘Een warm voetbad. Zeer wel,’ zei Joost inzakkend. Hij begaf zich met slepende tred naar de keuken, en niet lang daarna zat heer Ollie op de rand van zijn bed met de voeten in een dampende waskom. ‘Dat doet me goed,’ sprak hij mat. ‘Het vergt het uiterste van een heer om eenvoudige lieden op het ongepaste van hun gedrag te wijzen terwijl hij tracht in slaap te komen.’ ‘Inderdaad,’ zei de bediende. ‘Als er verder niets van uw dienst is, ga ik dat ook proberen, voordat de plicht me weer roept, als ik zo vrij mag zijn.’ Heer Bommel had nog niet lang geslapen, toen hij gewekt werd door geklop op de deur. Met moeite sloeg hij de ogen op en staarde naar de vervallen trekken van Joost, die rozig belicht werden door de morgenzon. ‘Excuseer,’ sprak de knecht met dikke stem. ‘Daar is familie om u te spreken, met uw welnemen. Een zekere familie Boemel, die uit Apoka komt.’ ‘Het is… het is zes uur,’ murmelde heer Ollie klagend. ‘En ik heb mijn rust nodig na de uitspattingen van vannacht. Dat begrijp je toch wel?’ ‘Het is héél betreurenswaardigss gaf de bediende toe. ‘Omdat ook ik oververmoeid door de deurbel heensliep heeft men met

stenen tegen mijn venster gegooid, zodat de scherven in mijn aspidistra liggen. Het is dringend, wanneer u mij toestaat. Ik was zo vrij er op te wijzen, dat zelfs iemand in mijn professie slaap nodig heeft, maar men gaf mij te verstaan, dat men niet kon wachten na de lange reis. En het is famiiie.’ ‘Familie…,’ herhaalde heer Bommel. ‘D-dat kan niet. Mijn naam is niet Boemel, dat had je kunnen weten.’ ‘Zo heb ik het verstaan op dit uur van de nacht,’ zei Joost. ‘En als er verder niets van uw orders is, ga ik proberen nog wat te rusten, voordat de ochtendpap mij weer roept.’ Hij verliet de kamer, en heer Ollie wierp met tegenzin de dekens van zich af om de nieuwe moeilijkheden onder ogen te zien…